Van-Elk

‘Kunst is Oorlog’ Column

Ger Van Elk - La Piece

‘La Pièce’ – Ger van Elk – Foto: Kröller-Müller Museum

‘Kunst is oorlog’

Alexander Koning

Stelt u zich eens voor: Finale EK voetbal ’88 , de negende minuut van de tweede helft. Nederland staat één nul voor op de Sovjet Unie. Arnold Mühren zet van links een hoge bal voor op Marco Van Basten die rechts al ver binnen het zestienmetergebied loopt. Een hoek van zo’n twintig graden in verhouding tot het doel. Tussen hem en de palen in twee Russen en de doelman. De bal belandt bij Van Basten op de slof en wordt vervolgens uit een schier onmogelijke hoek de rechterkruising in gepoeierd. Volgens velen het mooiste doelpunt uit de geschiedenis van het EK. Een doelpunt waar met emotie en trots op wordt teruggekeken. Een doelpunt dat keer op keer wordt herhaald, geanalyseerd en bejubeld. Een doelpunt waar je als grote man in een volle kroeg best een traantje bij had mogen laten. Een momentopname in een spel verheven tot een bijna goddelijke ingeving van een geniaal profvoetballer. Een meesterwerk! Dat ziet toch iedereen? Nou eerlijk gezegd; ik niet echt…

“Een momentopname in een spel verheven tot een bijna goddelijke ingeving van een geniaal profvoetballer. Een meesterwerk! Dat ziet toch iedereen?”

Het zal vast niet de eerste keer zijn dat er in columns parallellen tussen kunst en voetbal worden getrokken, maar het blijft zo’n fantastisch voorbeeld voor onze polariserende maatschappij: De kunst het speeltje van ‘de elite’, voetbal het speeltje van ‘het volk’. In de extremen gunnen beide partijen elkaar het licht in de ogen niet. Ze verwijten elkaar dat de hobby van de ander een ‘belastinggeld verslindende’ en ‘voor de samenleving nutteloze’ aangelegenheid is.

Toch delft er tussen voetbal en kunst tijdens de economische crisis opvallend één het onderspit; ‘De kunst’, waarom?

Ik kan hier een hele uiteenzetting opstellen over de subsidies en opbrengsten van kunst tegenover de subsidies en opbrengsten van voetbal. Ik kan een hele discussie laten oplaaien over wie waarvoor betaald, wat het één en het ander kost en oplevert in keiharde euro’s etc. Maar ik ben hier niet om als kunstenaar te klagen over een gebrek aan subsidie. Ik werk hard, betaal van mijn salaris mijn museumkaartjes en mijn schilderspullen. Als ik ooit goed genoeg word bevonden komt er vast  een museum die mijn kunst aan de muur wil hangen. Van mijn belastinggeld betaal ik mee aan de subsidies voor voetbalstadions die ik niet bezoek.  Prima. Een voetbalvader werkt waarschijnlijk even hard en koopt van zijn geld de jaarkaarten en de voetbalschoenen voor zijn zoontje. Van zijn belastinggeld betaald hij mee aan de musea die hij niet bezoekt. Als zijn zoontje het goed doet bij de F’jes wordt hij vast gespot door een grote voetbalclub. Ook goed.

Tot dusver lijkt de strijd gelijk op te gaan. Beide partijen hebben ruimte voor hun eigen dromen en ambities. Beiden krijgen een beetje staatssteun. Iedereen blij.

Toch kan ik me niet aan het gevoel onttrekken dat er sommige mensen zijn die vinden dat ik me als kunstenaar zou moeten schamen voor het feit dat ik een abstracte, nutteloze en inhalige hobby aanhang.

“Toch kan ik me niet aan het gevoel onttrekken dat er sommige mensen zijn die vinden dat ik me als kunstenaar zou moeten schamen voor het feit dat ik een abstracte, nutteloze en inhalige hobby aanhang.”

Tegen die mensen zou ik dan een betoog willen afsteken over het belang en de onontkoombaarheid van kunst sinds de pre-historie. Zou ik de rotstekeningen van de Neanderthalers erbij willen halen, de geschriften van Socrates, de toneelstukken van Shakespeare, de muziek van Vivaldi. Ik zou praten over filosofie, de zoektocht naar bezieling, troost, verwondering en passie. Ik zou de documentaire waarden die de kunsten hebben voor de generaties na ons willen blootleggen. Uitleggen dat kunst een spiegel is, waarin een maatschappij zichzelf kan bekijken en waar nodig fatsoeneren. Ik zou van de daken willen schreeuwen hoe belangrijk de zoektocht naar schoonheid, zingeving en context is voor een mens en de maatschappij waarin hij leeft!

Maar ik ben bang dat het allemaal weinig uit zou maken want kunst blijft volgens sommigen gewoonweg onzin. “Gebakken lucht! De nieuwe kleren van de keizer! Kijk naar die foto hierboven. Is dat nou kunst? Een wit plankje op een kussentje? Zo kan ik het ook! Sterker nog; Dat kan mijn kind van zes.”

Ik zou op mijn beurt in de verdediging schieten en zeggen; “Ja voetballen, dat kan mijn kind van zes ook.” Maar de vraag die ik mezelf beter kan stellen is waarom mensen tegenwoordig zo kritisch staan tegenover iets dat in mijn ogen zo mooi, puur en noodzakelijk is als kunst?

Hoe heeft het zover kunnen komen dat kunst taboe lijkt te zijn geworden?

Als ik naar het werkstuk van Ger van Elk hierboven kijk kan ik me wel een beetje voorstellen dat sommige mensen daar wat sceptisch tegenover staan. Kunst lijkt de laatste decennia dusdanig bezig te zijn geweest met dwarsliggen dat ze ook niet heel raar moet opkijken wanneer mensen daadwerkelijk hun interesse beginnen te verliezen.

“Kunst lijkt de laatste decennia dusdanig bezig te zijn geweest met dwarsliggen dat ze ook niet heel raar moet opkijken wanneer mensen daadwerkelijk hun interesse beginnen te verliezen.”

De avant-garde kunst van mensen als onder andere Marcel Duchamps, de Cobra beweging en Andy Warhol hebben door hun vooruitstrevend oprekken van het begrip ‘kunst’ een culturele aardverschuiving teweeg gebracht die niet zonder gevolgen lijkt te zijn gebleven. In het kort is het ze gelukt om zo ongeveer ‘alles’ tot kunst te verheffen en daarmee hebben ze onbedoeld ook een beetje de kunst te gronde gericht. Door de enorme conceptualisering is het steeds moeilijker geworden voor de ‘ongoefende kijker’ om de echte waarde van kunst te ontwaren. Mensen die wel de moeite nemen om het te begrijpen worden weggezet als ‘snobistisch’ en ‘elitair’. Daarnaast hebben beroemd geworden uitspraken als ‘Ik rotzooi maar wat aan.’ van Karel Appel ook niet echt bijgedragen aan de geloofwaardigheid van de expressief abstracte kunst.

Toen de crisis uitbrak was het dan ook niet verwonderlijk dat ‘de gewone man’ zich ging afvragen waarom hij nog mee moest betalen aan dat ‘ondoorzichtig zooitje moeilijk geneuzel van kunstenmakers die zelf niet eens weten wat ze precies aan het doen zijn, maar wel de hele dag in de kroeg zitten van onze belastingcenten.’ En die reactie is begrijpelijk. Maar is ze terecht? Is de kunst écht zo ondoorzichtig geworden of ‘kijken’ mensen gewoon verkeerd?

“Maar is ze terecht? Is de kunst echt zo ondoorzichtig geworden of ‘kijken’ mensen gewoon verkeerd?”

Als ik naar het eerdergenoemde doelpunt van Van Basten kijk, zie ik persoonlijk niet meer dan een toevalstreffer door een voetballer die denkt ‘alles of niets’. Ik zie iemand die ‘maar wat aan rotzooit’ en een soort van ‘per ongeluk’ raak schiet. Toch zullen hele legers voetbalkenners het niet direct met me eens zijn. Ze zullen zeggen dat ik het verkeerd zie. Dat ik niet goed ‘kijk’. Precies. Ik ‘kijk’ verkeerd. Dat komt omdat ik nu eenmaal niet veel om voetbal geef en ik daarom weinig moeite doe om de schoonheid en de context ervan te ontwaren. Maar daarom vind ik nog niet meteen dat voetbal onzin is dat zou moeten verdwijnen of door voetballiefhebbers helemaal zelf gefinancierd zou moeten worden. Ik accepteer dat dit, populair gezegd, ‘niet mijn ding’ is en ga liever naar een tentoonstelling waar ik het volgende zie gebeuren:

Stelt u zich eens voor: Een belangrijke kunsttentoonstelling: ‘Sonsbeek Buiten de Perken’ 1971. Grote namen in de conceptuele kunst worden aangetrokken om beelden te maken in de openbare ruimte. Zij bedenken grote en in de ogen van mede-exposant Gert van Elk, ‘wat megalomane’ kunstwerken. Van Elk reageert hierop door met een blokje hout van tien bij acht bij twee centimeter in zijn binnenzak aan te monsteren op een ijsbreker van Bremen naar Montreal. Een reis van enkele weken. Vervolgens schildert hij in de buurt van Groenland op volle oceaan in nog geen tien minuten het blokje wit met een potje Flexa verf. Hij doet dit in navolging van een oude Chinese meubelmakerstraditie waarbij de meubels van de keizer op volle zee werden gelakt omdat daar het minste stof in de lucht zou zitten. Daarna neemt van Elk het plankje weer mee terug naar de tentoonstelling en presenteert het relatief minuscule werk tussen de immense beelden van zijn collega kunstenaars op een fluwelen kussentje onder een glazen stolp.

Een meesterzet! Ik persoonlijk vind dat geniaal. Ik en andere kunstliefhebbers kunnen deze schaakbewegingen tot in het oneindige becommentariëren, analyseren en bejubelen. Een momentopname in een spel tussen verschillende kunstenaars en kunstwerken verheven tot een bijna goddelijke ingeving van een geniale artiest. Een waar meesterwerk toch? Dat ziet toch iedereen? Of u misschien niet echt?

“Een momentopname in een spel tussen verschillende kunstenaars en kunstwerken verheven tot een bijna goddelijke ingeving van een geniale artiest. Een waar meesterwerk toch? Dat ziet toch iedereen?”

Moraal van het verhaal: Laten we eindelijk eens stoppen met het gezeur over ‘wie’ en ‘wat’ en voor ‘welk geld’ en laten we ons concentreren op het plezier, de schoonheid en de beroering die we op onze eigen manier beleven aan voetbal dan wel aan kunst. Beiden hebben ons zo veel te bieden en beiden zijn van levensbelang voor onze samenleving. Beiden slurpen subsidie en van beiden kun je buitenproportioneel rijk worden. Voor beiden kun je talent hebben, en voor beiden kan dat talent onopgemerkt blijven. Voor beiden moet je oefenen, voor beiden heb je tijd en geld en ruimte nodig om er goed in te worden. Beiden kunnen oorlog zijn en beiden leveren de samenleving veel fysieke, mentale en morele rijkdom op.

Maar wellicht het allerbelangrijkste van alles: Beiden hebben evenveel recht om te bestaan.

Bronnen: Wikipedia – ‘VERF’/ Hans den Hartog Jager